Interview BNPP-coördinator Roel Huizenga

Interview door Ton Steenaert, verschenen in De Dominicuskrant (mei 2006)R. Huizinga

Als je 'n minuut over hebt...
‘Als je 'n minuut over hebt, dan moet je die inzetten voor kerk, staat of maatschappij.’ Zo luidde het adagium waarmee de van huis uit gereformeerde Dominicusganger Roel Huizenga (in augustus wordt hij 75) is groot gebracht. Geboren en getogen in het Drentse Hoogeveen (‘het Jeruzalem van het Noorden’), ging hij na zijn eindexamen gymnasium alfa, geschiedenis studeren aan (‘min of meer vanzelfsprekend’) de VU. Begin jaren zestig werd hij leraar geschiedenis en via een tweetal scholen in Amsterdam-Zuid en in Amstelveen belandde Roel op het Herman Wesselinkcollege in Amstelveen. Daarvan werd hij in 1971 rector. In 1989 kon hij gebruik maken van een soort VUT en ging achter de geraniums zitten, dat wil zeggen....
Juist in die periode startte het Historisch Documentatiecentrum (HDC) voor het Nederlands Protestantisme van de VU het project Bibliografie van Nederlandse Protestantse Periodieken (kortweg het BNPP-project). Het behelst een beschrijving van alle protestantse periodieken die vanaf 1815 in ons land zijn verschenen. In tegenstelling tot wat in Nijmegen door beroepskrachten werd gedaan, zou het project van het HDC uitgevoerd worden door vrijwilligers.
Er werd een oproep geplaatst in diverse media, hetgeen leidde tot een ploeg van circa vijftien mensen (dominees, historici, gewezen ambtenaren, onderwijsmensen, geïnteresseerden in geschiedenis en anderen), die lieten blijken affiniteit te hebben met de geschiedenis van het Nederlands protestantisme en die beschikten over speurzin en nauwkeurigheid.
‘Ik was weer terug in mijn oude vak, want sinds ik rector was geworden, had ik amper meer geschiedenisles kunnen geven’, aldus Roel opgetogen. ‘Sedert 1994 ben ik coördinator van het project. In die functie voorzie ik de vrijwilligers van werk. Ze moeten er tegen kunnen om alleen te zitten in een studiezaal. Het is écht eenzaam werk!’, zo vervolgt hij. De vrijwilligers zijn afkomstig uit het hele land en werken in het algemeen op een vaste dag in de week, veelal op een vaste plek ergens in het land, aan de opdracht die ze van Roel krijgen. Dat kan in een universiteitsbibliotheek zijn, in de Koninklijke Bibliotheek, in een provinciale bibliotheek of in een grote bedrijfsbibliotheek, maar ook op andere locaties.

Start
Roel: ‘In een boek kun je in het algemeen snel gegevens vinden over auteur, uitgever, titel, jaar van verschijnen, etcetera. Bij een tijdschrift is dat totaal anders: veel periodieken ondergaan in de loop van de jaren veranderingen in titel en ondertitel, redactie en medewerkers, uitgever en drukker, omvang, formaat, lay-out, abonnementsprijs, noem maar op. Dat maakt het vastleggen er van tot een hele klus. Je moet écht letterlijk alle bladen in handen hebben gehad om dit te kunnen constateren.’
Overigens werd al kort na de start van het project besloten om plaatselijke kerkbladen niet in de titellijst op te nemen, ook al voldoen ze aan de definitie van een periodiek. Roel citeert deze uit zijn hoofd: ‘alle drukwerken, waarvan de opeenvolgende nummers met regelmatige tussenpozen verschijnen, zonder een van tevoren vastgestelde einddatum.’ Aan de hand van een twintigtal items worden de uitwendige criteria beschreven in een zogenoemd autopsieformulier.
In tegenstelling tot het Nijmeegs initiatief (dat na één veelbelovende publicatie ter ziele ging vanwege een gebrek aan financiële middelen – lang leve de vrijwilligers! – ts) wordt in het BNPP-project geen duiding van het periodiek gegeven: ‘Over wat voor karakter een blad heeft kun je immers verschillend denken’, geeft Roel als reden op, temeer daar ieder van onze vrijwilligers ongetwijfeld andere voorkeuren heeft, maar bovendien uit verschillende disciplines afkomstig is. Zo’n duiding loopt dan het risico van subjectiviteit.’

Vrijwilligers
Zijn enthousiasme over en waardering voor de vrijwilligers die het allemaal uitvoeren kent amper grenzen: ‘Het is allemaal handwerk, wat je écht alleen doet in soms koude ruimtes. Maar iedere vrijwilliger vindt het zinvol om een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van deze bibliografie, die voor de protestantse persgeschiedenis nieuwe perspectieven biedt. Dat is dan ook de zin van dit werk. Het is domweg de moeite waard om systematisch na te gaan welke periodieken te bekijken zijn.
Neem nou Wieb Top, die een proefschrift heeft geschreven over seksuele voorlichting onder gereformeerden in de periode 1900-1965. Wat zou hij bij beschrijvingen zoals wij die nu maken baat hebben gehad. Met onze handreiking kan immers precies worden nagegaan waar tijdschriften te vinden zijn. Onze bibliografie is écht een lustoord voor onderzoekers.’
‘Het is een leuke, hechte, actieve groep die ik begeleid en met wie ik mag werken. Tenminste één keer per jaar hebben we een terugkomdag waar opgedane ervaringen worden uitgewisseld. En uiteraard kunnen de vrijwilligers mij bellen om advies en raad. Als je van lezen houdt is dit een heerlijke tijdsbesteding. En je reiskosten worden vergoed! Soms’ zo gaat Roel enthousiast verder, ‘raken vrijwilligers helemaal in de ban van een bepaald periodiek. Anderen vinden het de moeite waard om een ontwikkeling te kunnen zien die bepaalde kranten of tijdschriften in de loop der jaren hebben meegemaakt. Maar zonder uitzondering tonen ze speurzin, perfectionisme en het vermogen een uitdaging aan te gaan. Deze eigenschappen van een biograaf kom ik steeds meer tegen bij onze vrijwilligers. Heerlijk om dat te mogen constateren!’

Nog vijf à zes jaar
Roel en zijn maten zijn nu zo’n zeventien jaar bezig. Sedert een jaar of acht is een en ander ook gedigitaliseerd, maar de start van iedere bibliografische beschrijving blijft hoe dan ook steeds handwerk dat je alleen doet. Uiteraard kan iedere vrijwilliger zijn of haar voorkeur voor bepaalde periodieken kenbaar maken. ‘De een heeft immers meer affiniteit met bijvoorbeeld vakbondsperiodieken, terwijl de ander dat meer heeft met onderwijspublicaties.’ Roel schat dat zijn team nog zo’n vijf à zes jaar te gaan heeft. Daarbij laat men de periodieken die na 1995 zijn verschenen buiten beschouwing, ‘want daarvoor hebben we nog te veel liggen.’